Timboektoe
met de tekst "52 dagen naar timboektoe". Dat is natuurlijk op een kameel, maar kun je er ook komen op de motor?
De ontdekking van Timbuktu
Opnieuw staken we de legendarische Niger rivier over. Eerst zagen we hem al kronkelen in Niamey waar hij de stad in twee splitste; nu was hij terug en vormde de grens tussen Niger en Benin. De Nijl en de Kongostroom mogen dan wel Afrika’s langste rivieren zijn, de Niger is met zijn derde plaats de meest tot de verbeelding sprekende. Eeuwenlang zijn er twijfels geweest of de rivier nu naar het oosten of het westen stroomde. Tientallen expedities hebben haar bevaren op zoek naar Timbuktu, de “Stad van Goud”, de legendarische woestijnstad waarvan de mythe in Europa al meer dan tweeduizend jaar gekend was. Alle faalden.
Sommige werden geteisterd door tropische ziektes en verloren drie kwart van hun manschappen nog voor ze ook maar in de buurt van Timbuktu kwamen; andere ondekkingsreizigers vonden de dood toen hun boten door nijlpaarden werden aangevallen. Ogenschijnlijk zijn het schuwe dieren, in werkelijkheid zijn ze onberekenbaar. Ten slotte stonden ook de confrontaties met de oorspronkelijke bewoners van het gebied de Touaregs het succes van de onderneming in de weg. Van oudsher een gevreesd roversvolk met een hartgrondige hekel aan Christenen. Gordon Laing, een Brit, was de eerste die erin slaagde de stad te bereiken. Zwaar verminkt nadat een groep Touaregs zijn hele expeditie uitgemoord en hem voor dood achtergelaten had, reed hij op 13 augustus 1826 Timbuktu binnen. Kort daarop werd hij door de sultan de stad uitgezet. Op vijftig kilometer buiten de stad werd hij opnieuw aangevallen. Dit keer werd hij onthoofd. De internationale wedloop naar Timbuktu ging verder. Het Franse geografische genootschap had een prijs van tienduizend frank uitgeloofd voor de eerste man die de gouden stad zou bereiken én ook weer levend zou terugkeren. Muziek in de oren van René Caillié, een zestienjarige weesjongen in de leer bij de schoenmaker in het dorpje Mauzé in Frankrijk. Hij was in de ban geraakt van Afrika. Met de zestig frank die hij gespaard had kuste hij zijn verlamde zuster vaarwel en vertrok naar het zwarte continent. Caillié was een schrandere jongeman. Er bestond volgens hem maar één veilige manier om diep in Afrika door te dringen: alleen, zonder al te veel bagage en met kennis van de lokale taal, cultuur en godsdienst. De Engelsen marcheerden Afrika door in fluwelen jassen en linnen kniebroeken, al schietend en citerend uit de bijbel. Geen wonder dat ze het er niet levend van afbrachten. Caillié liep recht de verzengende hitte van de Sahara in en voegde zich bij de Braknanomaden, een fanatieke moslimstam. De Brakna’s waren gevreesd om hun wreedheid, hun smerigheid en intense haat tegen christenen. Caillié beweerde een afvallige te zijn en wilde nauwgezet onderwezen worden in de leer van de islam. Een jaar lang leefde hij onder hen. Hij liep op dunne leren sandalen door doornen en verschroeiend niemandsland, hij sliep in zijn djellaba, rolde zich tijdens zandstormen op als een dier. Pap en zure melk waren zijn enige voedsel. Met zelfdiscipline leerde hij ontberingen te ondergaan en studeerde Arabisch. Zwartverbrand door de zon kwam hij uit de woestijn te voorschijn; nu was hij gereed. Caillié begon zijn reis in Guinee. Hij voor per boot de Nunez op en sloot zich aan bij een kleine, landinwaarts reizende karavaan. Na drie maanden bereikte hij de Niger. Hoewel er boomkano’s op de Niger voeren, zette hij blootvoets zijn tocht over land verder. Een maand later strompelde hij een dorp binnen. Hij leed aan acute malaria, kon niet eten, en had zweren op zijn linkervoet. Zonder de zorgen van een uitgedroogde, tandenloze grootmoeder die medelijden met hem had, was hij beslist gestorven. Vier maanden later had hij de malaria met zware doseringen kinine overleefd. Ook zijn voet was aan het opknappen, maar in dat stadium kreeg hij scheurbuik. “Ik voelde dat mijn hersenen zouden worden aangetast door de verschrikkelijke pijnen in mijn hoofd en ik had al meer dan veertien dagen niet geslapen. Tot overmaat van ramp begon de wond op mijn voet weer te zweren … Ik was niet meer dan een skelet … Slechts één gedachte hield me bezig, die aan de dood. Ik verlangde ernaar en bad God erom.” Toch genas hij, opnieuw door de zorgen van de oude vrouw. In januari, bijna een half jaar nadat hij in het dorpje was gearriveerd, verliet hij het met een handelscaravaan. In Djennné, een midden in de Niger gelegen vestigingsstad in Toeareggebied, ging hij aan boord van een kolossale boomkano: zevenentwintig meter lang. Hij kreeg een plank onder het dek tussen de slaven toebedeeld, een ruimte zo klein dat hij niet eens kon liggen. Van Djenné naar Kabara, de “havenvoorstad” van Timbuktu, is het achthonderd kilometer stroomafwaarts. Toearegpiraten dwongen hen regelmatig uit de boot te stappen en eisten een bijdrage. Uit angst dat ze hem zouden doden als hij ontdekt werd, verborgen de slaven Caillié tussen matten en dekens. Een maand na het vertrek uit Djenné, op 25 april 1828, bereikte Caillié Timbuktu. De reis had een jaar geduurd. "De gouden stad" bleek niet meer dan wat lemen huisjes in een stoffige woestijn. Toen hij na tien dagen Timbuktu met een karavaan verliet, dacht hij dat het ergste leed geleden was. Hij kreeg ongelijk. In de zomer doorkruiste hij de Sahara, waar de temperatuur kon oplopen tot zeventig graden Celcius. De route naar Noord-Marokko was meer dan 1.600 kilometer; met minder dan twintig waterputten. Binnen enkele dagen leed Caillié aan extreme dorst. Hij was beperkt tot een rantsoen van minder dan een achtste liter smerig zwart vocht per dag. Het kostte hem drie maanden om Marokko te bereiken. Hij kwam er levend aan, maar dat was dan ook alles. Hij was zo uitgemergeld dat zijn botten door zijn huid staken. Toen René Caillié terugkeerde naar Frankrijk was hij een nationale held. Hij kreeg zijn tienduizend frank en werd door koning Karel X verheven tot ridder in het Légion d’Honneur. Daarna ging hij terug naar de woonplaats van zijn jeugd, Mauzé, en schreef hij zijn eigen avonturenboek, Journal d’un voyage à Tombouctou et à Jenné. (fragment uit “Een vreemde eend in Afrika”/ Naar Kaapstad in een Citroën 2CV. Boek van Gert DUSON, Uitgeverij Lannoo, 2003)




